© Michiel Scholtes
Man Overboord!
Een man overboord is een nachtmerrie. Hoe krijg je een kajuitzeiljacht op groot water zo snel en zeker mogelijk weer bij de drenkeling? Daarover hoor je onder zeilers verschillende meningen. En even vaak zo is de reactie afwerend, zo van ' Je moet niet overboord vallen', of 'Wij zijn altijd aangelijnd', of een vet 'Scheelt weer in de alimentatie'. Daarom vroeg Zeilen vijf Nederlandse zeilschoolhouders naar hun MOB-methoden. En wat kregen we? Vijf verschillende antwoorden! Redacteuren Marjolein Brandt en Michiel Scholtes gingen met deze zeilschoolhouders het water op en voeren vijf maal MOB. Bestaat de ideale MOB-manoeuvre?
Omstandigheden
Om onze indrukken goed te kunnen vergelijken varen we telkens op het IJmeer, met dezelfde boot, windkracht en golfhoogte.
De boot is een negen meter lang polyester toerjacht met vinkiel en balansroer en een relatief korte giek. Er wordt gestuurd met een wiel.
We willen per se geen zwembadcondities. We varen met een rif en een werkfok bij een dikke 5 Beaufort. Immers, bij die windkracht gaan bemanningen zeil minderen, met een grotere kans op MOB van dien.
De 'drenkeling'
Als drenkeling figureert een zwarte stootwil met een aangeknoopte puts. De puts dient als drijfanker en houdt de stootwil op een plek, net zoals een mens in het water bij gebrek aan windvang nauwelijks verlijert. Alleen als we met de Zeezeilers van Marken zeilen, gaan voor de foto's fotograaf Joris Luchtigheid en zijn maat David Biersteker dapper te water.
Toen was er nog maar een 85
Elke manoeuvre wordt telkens door slechts een opvarende uitgevoerd. Eerst doet de zeilschoolhouder het voor. Vervolgens vaart een Zeilenredacteur het voorbeeld na. We nemen alle stellen, gezinnen en vriendenparen die je op het water ziet als uitgangspunt. We gaan uit van het ergste geval, dat er om de MOB-manoeuvre te varen maar een bemanningslid overblijft. Niet zelden zal dat de minder ervaren partner zijn, al of niet gehinderd door in de weg lopende kinderen.
We houden ons hier bewust niet bezig met het aan boord krijgen van de drenkeling. Het binnenboord hijsen van de drenkeling is een complex probleem. Een hele serie methodes en hulpmiddelen hebben de pretentie dit probleem te helpen oplossen. Alleen na onderzoek en in een apart artikel kan dit MOB-onderdeel recht gedaan worden gedaan.
Termen
Een paar minder alledaagse termen tegen die behoren tot het vaste MOB-jargon.
-
Een sliplanding is aandewinds aankomen, waarbij door vieren en aanhalen van schoten de snelheid wordt geregeld.
-
Een dwarspeiling wil hier zeggen, het haaks op een aandewindse koers en loefwaarts peilen van een object, om het moment van overstag gaan te bepalen.
-
Bijdraaien is zonder vaart verlijeren met fok bak, roerblad naar loef, grootschoot gevierd of doorgezet.
-
Het bovenwindse en het benedenwindse gebied van de drenkeling zijn de gebieden aan loef en aan lij van de lijn die haaks op de windrichting over de drenkeling loopt.
MOB-manoeuvres
Instructeur Wimold Peters - Voorkeursmanoeuvre van Zeezeilers van Marken.
Onmiddellijk overstag, grootschoot snaarstrak, motor starten, eventueel fok strijken/wegrollen, motorzeilend aan de wind dicht bij de drenkeling gaan liggen, achteruitslaand naar de drenkeling verlijeren, schroef uit zijn werk, in het gangboord gaan liggen, contact maken.
MOB-visie van de Zeezeilers
' Zeezeilers van Marken' vindt het essentieel dat de boot zo dicht mogelijk bij de drenkeling blijft. Want uit zicht raken verkleint de kansen op redding dramatisch.
Zodra de motor loopt krijgt de redder grote vrijheid de manoeuvre naar omstandigheden in te vullen. Rust is daarbij heel belangrijk, haast houdt het risico in van totale mislukking.
Volgens de school kan een enkel bemanningslid de manoeuvre heel goed uitvoeren. Wegrollen of strijken van de fok is geen voorwaarde voor een geslaagde manoeuvre, zou wat meer tijd kosten, maar vergroot de slaagkans wel.
Op het water
Wimold Peters laat een perfecte manoeuvre zien. Hij legt de boot aandewind stil, en grijpt liggend in het gangboord de drenkeling bij zijn kladden.
Dan zijn wij aan de beurt. De drenkeling overboord. Meteen overstag en de boot ligt bijgedraaid. De manoeuvre is zo snel verlopen dat de boot wel bovenwinds maar al voorbij de drenkeling ligt. Door de schroef in de achteruit te zetten komt het draaipunt naar achteren. Daardoor valt de boot hard af en maakt vaart. Door een stoot vooruit komt deze wel weer aan de wind. Maar het gevolg is dat de drenkeling buiten bereik achter de spiegel ligt.
Zo moet het dus niet, het ging te snel. De tweede keer even wachten met overstag gaan; in werkelijkheid zal het ook even duren voor het overblijvende bemanningslid over de schrik heen is en tot handelen komt. Nu komt de boot wel keurig bijgedraaid vlak boven onze drenkeling uit, maar achteruitslaan brengt de redding bijna opnieuw in gevaar doordat de boot teveel afvalt en vaart maakt.
De derde keer gaat de fok neer. Die staat bak en valt dus vanzelf op het voordek, nog voor de het bemanningslid naar voren gaat. Het kost wat tijd, maar werkt prima. Nu blijft ook bij achteruitslaan de boot iets hoger dan halve wind liggen en verlijert recht naar de drenkeling. Contact maken gebeurt liggend in het lage gangboord, met een wreef en een arm achter scepters gehaakt. De redder, zelf aangelijnd, zet een lijflijn op het harnas van de drenkeling.
Commentaar Zeilen
Door de redder meteen overstag gaat blijft de boot inderdaad heel dicht bij de drenkeling. Beiden houden gewoon oogcontact. Dat geeft een rustig gevoel.
De controle over de boot is goed, mits de fok tijdens het verlijeren niet bak blijft staan.
Liggend in het gangboord krijgt de redder de drenkeling vrijwel zeker te pakken, ook als de drenkeling niet meer meewerkt.
Beperkingen
- Het moeten strijken van een leuverfok kost tijd
- Achteruitslaan met fok bak leidt tot ongewenst afvallen en vaart maken.
- Bij harde wind en hoge golven zou een passieve drenkeling, of een drenkeling zonder reddingvest aan lij onder de boot kunnen raken.
- Afhankelijkheid van de motor.
- Als de fok is blijven staan kan de slaande fokkeschoot in het gangboord gevaarlijk zijn.
- Over langere afstand verlijeren vergroot de kans dat de boot voorbij de drenkeling schiet.
- Na het bijdraaien kan de bemanning het roer loslaten om zelfs binnen de motor te starten.
- Heel goed alleen te doen.
- Ook met harde wind goed uitvoerbaar.
- Zeilvaardigheid is niet nodig.
- Ook een passieve drenkeling kan goed worden aangehaakt.
Instructeur: Maurijn - Voorkeursmanoeuvre van, Flevosailing.
Fokkeschoot losgooien, grootschoot snaarstrak, boot loeft vanzelf in de wind. Fok wegrollen of strijken. Motor starten, naar het benedenwindse gebied van de drenkeling varen, terug naar het bovenwindse gebied en de boot halve wind boven de drenkeling leggen. Achteruitslaand naar de drenkeling verlijeren. Schroef uit zijn werk, op wanthoogte in het gangboord contact maken met de drenkeling.
MOB-visie van Flevosailing
Zo dicht mogelijk bij de drenkeling blijven is volgens Flevosailing niet het allerbelangrijkste. Rust, eigen veiligheid en controle wel. De fok moet per se weg; moderne toerboten loeven dan snel tot in de wind en vallen stil. Deze school wil dat de boot altijd vanuit het benedenwindse gebied komt omdat de redder tegen wind en golven in, de snelheid goed laag kan houden. Flevosailing is bij zeegang tegen sliplandingen omdat de boeg de drenkeling zou kunnen raken; over enige afstand naar de drenkeling verlijeren is veel veiliger.
Op het water
Aan de wind gaat de stootwil overboord. Maurijn Od\'e9 gooit de fok los en zet de grootschoot strak door. Maar de redactieboot blijkt behoorlijk koersstabiel en doet er betrekkelijk lang over om in de wind te draaien. Daardoor wordt de afstand tot de stootwil wel 40 meter. Intussen strijkt Maurijn de fok in de wind; hij moet daarvoor langs de vervaarlijk slaande schoothoek naar het voordek, en het kost wat tijd. Dan start hij de motor, vaart terug, omzeilt de 'drenkeling', en maakt de manoeuvre keurig af. Dan is Zeilen aan de beurt. Opnieuw loopt onze koerstabiele boot ver weg bij de drenkeling. Tot twee keer toe weten we na het strijken van de fok even niet meer waar de stootwil ligt. Voor de wind komt deze weer snel in zicht. Achteruitslaand verlijeren gaat goed zonder fok. Toch schiet de boot de stootwil nog een keer voorbij en moet het vierkant opnieuw worden gevaren.
Commentaar Zeilen Flevosailing gaat nadrukkelijk uit van een moderne boot met rolfok die na het losgooien van de fokkeschoot meteen in de wind komt. Koersstabiele boten moeten even met de hand in de wind worden gestuurd. Pas op voor klapperende schoothoeken als u langs een leuverfok naar de boeg moet. Gaat iemand op een ruime koers overboord, dan is traag oploeven en in de wind draaien niet zo'n probleem, de boot zeilt intussen terug richting drenkeling. Het strijken van een leuverfok op het voordek kost tijd; in de wind kan de schoothoek de bemanning verwonden.
Beperkingen
- Het strijken van een leuverfok kost tijd; in de wind is de schoothoek een gevaar.
- Bij harde wind laat niet iedere rolfok zich makkelijk of snel wegrollen.
- Met een koersstabiele boot kan de afstand tot de drenkeling in eerste instantie flink oplopen.
- Over een langere afstand verlijeren vergroot de kans dat de boot voorbij de drenkeling schiet.
- Afhankelijkheid van de motor.
Voordelen
- Als de fok weg is heeft de bemanning de handen geheel vrij om de motor te starten.
- Heel goed alleen te doen
- Niet veel zeilvaardigheid nodig.
- Een passieve drenkeling kan vanuit het gangboord goed worden aangehaakt.
Instructeur Kors Meijer - Voorkeursmanoeuvre van zeezeilschool 'Het Wijde Water'.
'Man overboord' roepen en boei werpen. Schoten vieren, afvallen tot voor de wind. Motor starten en zo mogelijk het voorzeil strijken (neerhaler op de tophoek) of wegrollen. In de wind terug naar de drenkeling. Grootzeil laten klapperen, eventueel grootzeil strijken, motor uit zijn werk, midscheeps contact maken.
MOB-visie van Het Wijde Water
Eenvoud is voor de school het uitgangspunt, vanwege eventuele paniek van de achterblijver. Deze hoeft alleen maar eerst met de wind mee te zeilen en vervolgens recht tegen de wind in terug te motoren, om zo vanzelf weer bij de drenkeling uit te komen. Kors Meijer benadrukt dat stroming daarbij niets uit maakt, boot en drenkeling worden even hard weggezet. \par De boot moet altijd met losse of gestreken zeilen in de wind aankomen, anders is de snelheid niet controleerbaar. Te hard aankomen is levensgevaarlijk.
Op het water
Kors Meijer zeilt aan de wind over bakboord en de 'drenkeling' gaat overboord. Hij roept 'man overboord!' en 'zwem!' en maakt een schijnbeweging naar de reddingsboei achterop. Dan valt Kors fel af tot voor de wind. Als de motor loopt loeft hij sterk op en stoomt met klapperende zeilen tegen wind en golven in. De stootwil ligt ongeveer vijftig meter bovenwinds, niet recht vooruit maar flink aan stuurboord. Dat is het gevolg van de seconden die verstrijken voor de boot afvalt en van de straal van de bochten bij afvallen en oploeven. Niet een indewindse maar een aandewindse koers, niet eens een hoogaandewindse, leidt dus naar de drenkeling. Dan doet Zeilen de manoeuvre. Marjolein, niet gewend aan een stuurwiel, draait te laat terug en gijpt bijna. Ik stuur op mijn beurt wat op om gijpen te voorkomen. Dat bevestigt het beeld. Omdat de startsleutel van de redactieboot tegen het brugdek zit moet ik achter het stuurwiel vandaan. Koers houden vertraagt het starten. Daardoor raakt de boot nog verder weg van de indewindse lijn naar de drenkeling.
Commentaar Zeilen Een ongeoefend zeiler of iemand die een helmstok gewend is, riskeert een klapgijp bij het afvallen tot voor de wind, want die draait het stuurwiel te laat terug. Tot twee keer toe doen we de manoeuvre zittend op de kuipvloer, alsof de drenkeling uit zicht is geraakt. Door met een knik in de schoot aan de wind terug te varen komen we wel in de buurt van de drenkeling uit. Maar daarmee verliest een argument voor deze manoeuvre - in de wind varen leidt vanzelf naar de drenkeling \endash zijn geldigheid. Een voordeel van deze ontdekking is wel dat er ten minste gemotorzeild kan worden, zodat de zeilen niet slaan en er minder motorvermogen nodig is. Dat voordeel staats haaks op de raad van Het Wijde Water om eventueel ook het grootzeil maar te strijken. Zonder grootzeil zal de boot in golven zo rollen dat de redding veel moeilijker wordt. Overigens kan iedere zeiler voor zichzelf testen tot welke windkracht en golfhoogte een motor sterk genoeg is om de boot met klapperende zeilen tegen de wind in te duwen.
Beperkingen
- Pal voor de wind blijven zeilen is moeilijk voor een ongeoefend zeiler.
- Sommige motoren starten traag, intussen verwijdert de boot zich steeds verder van de drenkeling.
- Motor is misschien niet krachtig genoeg.
- Onzekerheid over de juiste aandewindse koers terug naar de drenkeling.
- Geweld van slaande zeilen en schoten intimideert en geeft kans op knopen en schade.
- Zonder steun van het grootzeil zal de boot in golven gevaarlijk kunnnen rollen
Voordelen
- Snelle manoeuvre als de startknop op de stuurkolom zit.
- Goed alleen te doen.
Instructeur: Richard Vooren - Voorkeursmanoeuvre van Vaarschool Naarderbos.
Afvallen tot ruime wind en 7 tellen doorvaren. Oploeven tot aan de wind en 7 tellen doorvaren. Bij dwarspeiling op de drenkeling overstag. Sliplanding. Bij de drenkeling in de wind draaien en contact maken bij het achterschip. Met de pikhaak en naar de zwemtrap helpen. Bijdraaien als de boot over een boeg valt.
MOB-visie van Vaarschool Naarderbos
Naarerbos wil het overblijvende bemanningslid zoveel mogelijk werk besparen. 'MOB is zonder al die handelingen al moeilijk genoeg', aldus Vooren. Bovendien zit het contactslot vaak buiten bereik van de roerganger, soms zelfs binnen. Tijdens het starten raakt de drenkeling misschien uit het zicht, of de schoten in de knoop. Bovendien is de schroef voor de drenkeling een groot gevaar. Het tellen moet leiden tot een geometrische figuur die de boot naar de drenkeling brengt, ook als deze uit zicht is geraakt. De boot hoeft maar een keer overstag. De riskante gijp wordt vermeden. Door bij de drenkeling in de wind te draaien zwenkt het achterschip met zwemtrap naar de drenkeling. Daar heeft ook niemand last van slaande schoten. Na het contact maken moet de grootschoot strak, dan draait de boot vanzelf bij. Als de boot op het moment van man-overboord al ruime wind voer kan de bemanning zeven tellen later meteen oploeven en aansluitend overstag.
Op het water
De demonstratie toont meteen de moeilijkheid van deze manoeuvre. Richard Vooren valt net niet voldoende af, zodat we twee keer 7 tellen en een wending later, bijna halve wind naar de stootwil zeilen. Daardoor blijft het helemaal gevierde grootzeil toch wind vangen en houden we te veel vaart. De stootwil wordt niettemin vaardig opgepikt, maar het gewicht van een echte drenkeling zou misschien teveel zijn geweest. De tweede keer heeft Marjolein het zo druk met de schoten dat ze aan de wind veel trager tot zeven telt dan op het ruimwindse rak. Opnieuw zeilen we te hard langs de stootwil. Op aanwijzing van Vooren vallen we aansluitend met strakke schoten af, gijpen en loeven zeer snel op, om vervolgens prachtig naast de stootwil bijgedraaid te blijven liggen; maar dat is geen manoeuvre voor een ongeoefend MOB-zeiler. De derde keer zeilen we meteen veel dieper, bijna voor de wind, en produceren we vervolgens een mooie sliplanding. Door in de wind te draaien als de stootwil aan lij achter de boeg verdwijnt, komt de boot praktisch tot stilstand en wordt de stootwil met de pikhaak rustig naast de kuip en bij de zwemtrap gebracht. Bij de stevige bries die er waait slaan zeilen en schoten, tot de boot bijdraait, wel hevig in het rond.
Commentaar Zeilen We zien zeker de voordelen van een manoeuvre die het overblijvende bemanningslid werk bespaart. Maar er zijn nogal wat voorwaarden om de drenkeling aan te zeilen in de smalle sector waarbinnen een sliplanding werkt: voldoende afvallen, maar niet per ongeluk gijpen; voldoende oploeven om een goede dwarspeiling te kunnen maken; niet te vroeg, maar ook niet te laat overstag. Te laag naar de drenkeling en de boot valt niet te stoppen, te hoog en de boot bereikt de drenkeling niet eens. Wel heel leerzaam! Oefenen dus.
Beperkingen
- Manoeuvre vraagt de nodige zeilvaardigheid en oefening.
- Bij harde wind en hoge golven komt een gereefd jacht niet altijd voldoende aan de wind of overstag.
- Voer het jacht voor de MOB ruimschoots met veel zeil, dan is het aan de wind overtuigd en moeilijk door een bemanningslid te zeilen.
- Een stuurfout en de stampende boeg kan gevaarlijk worden voor de drenkeling.
Voordelen
- Het tellen vergroot de kans van slagen als de drenkeling uit het zicht is geraakt.
- Een geoefend zeiler blijft dicht bij de drenkeling.
- De manoeuvre is goed alleen te doen; niets strijken, geen motor, de bemanning concentreert zich op het zeilen naar de drenkeling.
- Goed uitgevoerd is de manoeuvre razendsnel.
- Bij mislukking sluit 'gijpen, loeven, sliplanding' naadloos aan.
- Mooie technische zeilmanoeuvre.
Instructeur: Erik Veldhuis - Voorkeursmanoeuvre van Zeezeilschool Scheveningen.
Meteen oploeven tot boven de drenkeling. Dan overstag en bijdraaien met de grootschoot snaarstrak en de fok bak. Verlijeren naar de drenkeling. Anders afvallen, om de drenkeling gijpen, oploeven en bovenwinds bijdraaien. Of afvallen naar de drenkeling, de lifesling bovenwinds en dicht bij de drenkeling laten vallen en een krul om de drenkeling zeilen. De boot moet stilliggen als de lifesling de drenkeling bereikt. De drenkeling kruipt in de sling en wordt naar de boot getrokken.
MOB-visie van Zeezeilschool Scheveningen.
Dicht bij de drenkeling blijven en snelheid kwijt raken zijn voor deze school de kernpunten van hun 'Quick Stop Recovery Method', een langzaam om de drenkeling gezeilde krul. De manoeuvre geeft drie maal kans op contact: als de boot naar de drenkeling verlijert, als de boot na de krul voor de tweede keer boven de drenkeling bijdraait of een sliplanding uitvoert, en door het uitzeilen van een lifesling: een reddingslijn met gordel in een container aan de hekstoel, die tijdens de manoeuvre afrolt. Volgens Eric Veldhuis is de lifesling de beste garantie dat de drenkeling ook werkelijk naar de boot kan worden gehaald.
Op het water
Eerst vaart Eric Veldhuis de krul zonder lifesling. Als de stootwil overboord valt gaan we onmiddellijk overstag en draaien bij. Te snel! De boot schiet de stootwil voorbij, erheen verlijeren kan niet meer. Dat hebben we eerder gezien. Geen nood, heel rustig komt de boot voor de wind, gijpt met snaarstrakke grootschoot, loeft traag op, maakt aan de wind vaart, gaat overstag en komt bijgedraaid praktisch tot stilstand naast de stootwil die nooit verder dan 15 tot 20 meter van de boot is geweest. Dat langzaam zeilen door de schoten strak te houden, gaat prima. Dan met lifesling. Zeilen wil het niet doen, wij hebben er geen enkele ervaring mee. Erik Veldhuis mag het laten zien. De stootwil gaat overboord en na de bekende kreten gaat Erik overstag. De redactieboot ligt bij deze wind zelfs met fok bak niet meteen stil en het duurt even voor de lifesling in het water ligt. Als de lijn eindelijk uitloopt, is de boot al ver bovenwinds en voorbij de stootwil. Ruimwinds terugzeilend loopt de lijn wel veertig meter uit. Erik gijpt om de stootwil, loeft op, gaat overstag, valt af onder druk van de bakstaande fok... en vaart bij de stootwil over zijn eigen reddingslijn die dankbaar achter de kiel haakt. Na wat aarzeling en het maken van voldoende vaart gaan we opnieuw overstag en proberen voor de sling af te vallen en de lijn vrij te varen. Helaas, de lifesling heeft ons dapper gevolgd en we varen opnieuw over de lijn, die nu dubbel om kiel en roer gedraaid zit. Om een lang verhaal kort te maken, we pikken eerst de stootwil op, Erik snijdt de reddingslijn van de rol in de zak en met grote inspanning trekken we zo\rquote n 25 meter lijn onder de boot vandaan.
Commentaar Zeilen Twee gevolgtrekkingen. Wie de lifesling uitzeilt moet weten hoe de boot zich bijgedraaid gedraagt. Ten tweede moet de sling vlak bij, niet ver bovenwinds de drenkeling worden uitgeworpen, anders drift de boot na de krul over de lijn. Daardoor komt de lifesling onbereikbaar voor de drenkeling aan de loefzij van de boot te liggen, mag de schroef niet meer in zijn werk en zit de drenkeling gevangen in de snel dichttrekkende benedenwindse bocht van de reddingslijn. Met dit avontuur willen we zeker niet suggereren dat een lifesling niet werkt. Maar dat een ervaren zeezeiler zo in de problemen kan komen, bewijst wel dat gebruik van de lifesling zonder intensieve oefening een redding behoorlijk in het honderd kan schoppen.
Beperkingen
- Met lifesling vraagt de manoeuvre om veel oefening.
- Komt de reddingslijn onder de boot, dan is het gebruik van de schroef geen optie meer
- De drenkeling kan gevangen raken in de lijn.
Voordelen
- Met strak doorgezette schoten kan er verrassend goed, traag om de drenkeling worden gezeild.
- Zonder lifesling is niet veel zeilvaardigheid nodig.
- Als contact maken met de boot mislukt, biedt de lifesling een extra kans.
Dilemma's
Voorkeursmanoeuvres of niet, onze vijf zeilschoolhouders erkennen dat elke goede afloop van een manoeuvre afhankelijk is van omstandigheden, zoals het weer, de geoefendheid van de bemanning en de eigenschappen van de boot. Die leveren een aantal dilemma\rquote s op dat in alle gesprekken over MOB steeds weer terugkomt. Wij zetten ze voor u op een rij.
Zwem!?
De klassieke uitroep bij MOB is Man overboord!, Zwem!, waarna een reddingboei wordt gegooid. Moet je dat allemaal doen? De eerste kreet is van weinig nut als een opvarende alleen overblijft. De aanmoediging tot zwemmen is alleen zinvol als de man of vrouw in het water geen reddingvest draagt. Dat geldt ook voor het werpen van een reddingboei. Overigens is die handeling op ruime koersen weg van de drenkeling van weinig nut, de boei verlijert waarschijnlijk harder dan de drenkeling kan zwemmen, tenzij de boei van een drijfankertje is voorzien. Het nut van een geworpen joon of van een MOB-licht staat vast, die vergroten de kans om de drenkeling terug te vinden. Gooi ze!
Motor of zeil?
Als een minder ervaren bemanningslid alleen overblijft, ligt een motorzeilmanoeuvre meer voor de hand dan een flitsend uitgevoerd zeilpatroon. Drie van de hierboven beschreven MOB-manoeuvres zijn op de betrouwbaarheid van de moderne diesel gebaseerd. Maar wat als het erg koud is? Hoe lang duurt het voor een koude diesel aanslaat? Moet je voorgloeien?
En waar wordt de motor gestart? Wie voor het starten naar binnen moet verliest gedurende een halve minuut de drenkeling uit het zicht. Wat gebeurt er intussen? Dat hangt weer van verschillende factoren af: het zicht, de windkracht, golfhoogte, koers en snelheid. \par
Kortom, degene die aan boord overblijft zal snel moeten afwegen of de motor wel of niet bruikbaar is, en misschien besluiten toch die zeilmanoeuvre in te zetten.
Dichtbij blijven
Als er op zee hoge golven lopen, en ook bij slecht zicht, wil je dichtbij de drenkeling blijven, anders raak je hem kwijt. Een manoeuvre waarbij de boot eerst van de drenkeling weg vaart is dan riskant. Immers, je hebt geen bemanningslid over dat onafgebroken naar de drenkeling kijkt en wijst, zoals op volledig bemande boten de dril is, en ook op alle vijf scholen wordt ge\'efnstrueerd. Maar op groot binnenwater moet het veel harder waaien wil een drenkeling achter golven verdwijnen, een wijder patroon zeilen is dan veel minder bezwaarlijk.
Loef of lij?
Moet je aan loef of aan lij contact maken met een drenkeling? Onder zeilers zijn de meningen daarover verdeeld. Aan loef is het vrijboord hoog, moet een lijn tegen de wind in worden gegooid en drift de boot snel van de drenkeling weg. Aan lij zou het gevaar bestaan dat de boot over de drenkeling heen drijft, vooral als deze bewusteloos of onderkoeld is.
Geen van de vijf vaarscholen pleit voor loef. Het aan lij nemen wordt beschouwd als de zekerste manier om contact te maken, juist als de drenkeling onderkoeld of bewusteloos is en zelf niet meer in staat is naar de boot te zwemmen of een lijn vast te houden. Het risico dat een drenkeling in een reddingsvest onder de boot komt, staat in die visie in geen verhouding tot het voordeel dat contact maken bijna niet kan mislukken. Lij wint.
Schroef
Moet de schroef altijd uit zijn werk? De vijf vaarschoolhouders vinden van wel. Want een drenkeling kan per ongeluk bij het achterschip komen of moet omhoog langs de zwemtrap, waar de bemanning tegen de hendel kan trappen. En een draaiende schroef maakt van iedere drenkeling filet Americain! Richard Vooren wil de motor daarom uit hebben. Hij vertelt hoe iemand tijdens MOB met zijn broekspijp over de hendel stapte en zo de schroef in zijn werk zette. Als het kan de motor maar liever helemaal uit.
Rolzeilen
Over rolvoorzeilen wordt verschillend gedacht. Bij Vaarschool Naarderbos en Zeezeilschool Het Wijde Water wordt hardop getwijfeld aan de zeewaardigheid van rolgenua\rquote s. Dit zijn de bekende bezwaren. Een flink ingerolde rolgenua is aerodynamisch een slecht zeil. Rolmechanismen kunnen vastlopen. In of aan de wind wegrollen kan een zware tijdrovende klus zijn. Om een gereefde rolgenua te strijken moet deze eerst worden uitgerold, ook bij harde wind. Flevosailing daarentegen gaat juist uit van het gemak van rolgenua\rquote s. Ongetwijfeld in de meeste gevallen terecht. Maar wat als de boot bij veel wind met de volle genua ruimwinds voer? Wat als de genuaschoot door het slaan om het want is verknoopt? Wat als een sleetse rol slecht draait en de te dunne reeflijn in je handen snijdt?
Aan de andere kant is het strijken op het voordek van een leuverfok in slecht weer voor een ongeoefend zeiler een rotklus. Of een rolvoorzeil in een MOB-situatie een voor- of nadeel is weet je pas als je het in je eentje, ook bij harde wind op je eigen boot uitprobeert.
Boottype
Sommige boten blijven bijgedraaid beter liggen dan andere. De meeste (semi-) langkielers liggen rustig, sommige toer/wedstrijdboten zwenken nerveus van aan de wind naar ruime wind en terug en blijven flinke vaart lopen. Of en hoe een boottype naar de drenkeling verlijert moet blijken in de praktijk.
Moderne boten met vinkiel en spaderoer hebben kleine draaicirkels, gaan zonder fok aan zichzelf overgelaten langzaam laveren. Een koersstabiele boot vaart aan zichzelf overgelaten aan de wind van de drenkeling weg, een eigenschap die bijvoorbeeld de manoeuvres van Flevosailing en Scheveningen bemoeilijkte. Wie het gedrag van zijn boot kent kan met reden voor een MOB-manoeuvre kiezen.
Het weer
Bij harde wind en steile golven is het de vraag of een boot op zeil alleen wel aan de wind komt en overstag gaat. Bovendien moet blijken of een boot solo wel te zeilen valt. Boven een zekere windkracht moet de motor er wel bij. Een ervaringsfeit.
Veel jachten onder de zeven meter hebben een buitenboordmotor aan de spiegel of in een bun hangen. Blijft de schroef in bijvoorbeeld korte hoge IJsselmeergolven voldoende onder water om de boot tegen harde wind in voort te stuwen? Nee? Zeilen dus!
Kou en haast
Onderkoeling is bij MOB misschien wel het grootste gevaar. Hoe kouder het water, hoe sneller je bij de drenkeling moet zijn. Een kwestie van minuten! Maar hoe sneller de manoeuvre verloopt, hoe groter de kans op fouten. Haast kan beheersing hopeloos in de weg zitten. Hoeveel oefening vergt gecontroleerde haast? Hoeveel haast verdraagt MOB?
Oefening
De vijf zeilschoolhouders streven naar eenvoud, maar benadrukken toch allemaal het nut van oefening. Wij als 'MOB-cursisten' van de Zeilenredactie, merkten dat we door herhaling het gedrag van de boot steeds beter konden inschatten en dat onze handelingen met iedere manoeuvre doelmatiger werden. Na elke MOB- serie hadden we het prettige gevoel betere zeilers te zijn geworden.
Een ongeoefend bemanningslid zal waarschijnlijk het beste resultaat behalen met de eenvoudigste manoeuvre, bijvoorbeeld die van de Zeezeilers. Maar het kan heel goed zijn dat u onder andere omstandigheden voor de zeilmanoeuvre van Naarderbos kiest omdat die zo lekker sportief is, of voor die van Het Wijde Water vanwege uw oersterke diesel. Oefening leidt tot het vermogen in verschillende situaties de beste keus te doen.
Geen ideale manoeuvre
Zeilen meent dat geen van de vijf manoeuvres onder alle omstandigheden ideaal is. Wel vinden we de manoeuvre van de Zeezeilers heel algemeen toepasbaar en doelmatig. Het succes van de andere, zoals de versie Flevosailing, is aan meer voorwaarden gebonden. Zeezeilschool Scheveningen laat zien dat langzaam rondjes zeilen om de drenkeling zonder motor ook goed kan, maar de lifesling blijkt een twijfelachtige zegen. Vaarschool Naarderbos heeft de echte \lquote zeilersmanoeuvre\rquote in huis. De motormanoeuvre van Het Wijde Water pakte anders uit dan voorzien.
Toch gaan we u niet vertellen welke MOB-manoeuvre u voortaan het beste kunt gebruiken. Iedere zeiler kan zelf de beperkingen en mogelijkheden van boot en bemanning inschatten en onder gegeven omstandigheden de beste MOB-manoeuvre kiezen.
Tot slot. Het is een opwindend behendigheidsspel waarbij de hartslag oploopt en de prestaties bij iedere volgende poging zienderogen verbeteren. Hoe ernstig het onderwerp ook is, MOB oefenen is buitengewoon leuk!
Waarom zou heel zeilend Nederland op 13 augustus geen MOB-manoeuvres gaan oefenen? Een nationale MOB-dag!
Terug aan dek!
